Voorwaarden 2018

Om aanspraak te kunnen maken op een vangnetuitkering dient de gemeente aan een beperkt aantal voorwaarden te voldoen. De voorwaarden gelden voor alle gemeenten, ongeacht de gemeentegrootte en ongeacht of de gemeente de wet zelfstandig of in samenwerking met andere gemeenten uitvoert.

Voorwaarden voor het recht op vangnetuitkering over 2018

Om over 2018 in aanmerking te komen voor de vangnetuitkering moet worden voldaan aan de volgende financiële en procedurele voorwaarden:

a.    over 2018 moet sprake zijn van een tekort dat meer bedraagt dan 5% van de definitief over dat jaar toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet;
b.    over 2016, 2017 en 2018 moet sprake zijn van een gecumuleerd tekort dat meer bedraagt dan 5%, berekend over alleen de definitief over 2018 toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet;
c.    het college moet in 2019 tijdig een verzoek indienen volgens het daartoe vastgestelde model;
d.    bij het indienen van het verzoek moet het college met instemming van de gemeenteraad verklaren dat het maatregelen heeft genomen om tot tekortreductie te komen.
e.    bij een aanhoudend tekort – dat wil zeggen dat het college in een aaneengesloten periode van drie jaar meer dan één keer aanspraak wenst te maken op een vangnetuitkering – moet verklaren dat in samenspraak met de gemeenteraad (aanvullende) interne en externe maatregelen zijn genomen om alsnog tot verdere tekortreductie te komen.

Deze voorwaarden (a t/m e) staan hieronder nader toegelicht.

Toelichting karakter voorwaarden

De voorwaarden volgen uit wetgeving. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is er geen recht op een vangnetuitkering.

Toelichting ad a en b

Algemeen

Het vangnet reduceert financiële risico’s die gemeenten hebben bij de uitvoering van de Participatiewet. Het vangnet is bedoeld om grote tekorten bezien in meerjarig perspectief op de gebundelde uitkering trapsgewijs te compenseren (hieronder nader toegelicht bij ‘beoordeling in meerjarig perspectief’).
Het vangnet draagt bij aan draagvlak onder gemeenten voor het systeem van budgetbekostiging. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat deze risicoreductie de financiële prikkelwerking ondermijnt, daarom geldt een eigen risico, een getrapte vergoeding en zijn er voorwaarden gesteld aan de toewijzing van het vangnet. Deze voorwaarden prikkelen gemeenten om hun beleid en uitvoering te ontwikkelen en van elkaar te leren om het tekort te reduceren.

Oorzaak tekort

Evenals het geval was bij het (tijdelijk) vangnet over 2015 en 2016, geldt ook voor het vangnet vanaf 2017, dat de mogelijke oorzaak van het tekort in beginsel niet van belang is voor het recht op vangnetuitkering. Van deze hoofdregel ten aanzien van het recht op vangnetuitkering wordt alleen afgeweken als:

  • blijkens het verslag van bevindingen van de accountant bestedingen onjuist of onzeker zijn,
  • of als uit dit verslag blijkt dat er sprake is van een te late indiening van de verantwoordingsinformatie (SiSa).

In aanmerking komende netto lasten

De toetsingscommissie stelt vast of een gemeente meer dan 105% heeft uitgegeven dan de definitief toegekende gebundelde uitkering. Om te bepalen of sprake is van een dergelijk tekort, wordt enerzijds rekening gehouden met de definitief toegekende gebundelde uitkering en anderzijds met de gemeentelijke uitkeringslasten. Echter niet met alle lasten, maar met de “in aanmerking komende netto lasten”, in het Besluit Participatiewet gedefinieerd als “de netto lasten op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004, verminderd met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen van de accountant (als onderdeel van de SiSa-verantwoording) als fout of onzeker worden aangemerkt”. Fouten en onzekerheden die beneden de ondergrens blijven als bedoeld in artikel 5 van het Besluit accountantscontrole decentrale overheden, maar desondanks wel door de accountant zijn gerapporteerd, worden niet in mindering gebracht. Verder is bepaald dat bij de beoordeling van het verzoek alleen rekening wordt gehouden met informatie over de “in aanmerking komende netto lasten” die uiterlijk 15 augustus is ontvangen door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet of de minister van BZK. Uitzondering hierop is alleen aan de orde indien de latere verstrekking op verzoek geschiedt.

Beoordeling in meerjarig perspectief

Anders dan het tijdelijk vangnet 2015-2016, kent het vangnet vanaf 2017 een meerjarig perspectief. Dit perspectief komt tot uiting in de referteperiode, dat wil zeggen de jaren die in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het recht op vangnetuitkering. Voor de vangnetuitkering over 2018 betekent dit een referteperiode van 2016, 2017 en 2018. De beoordeling geschiedt als volgt:

  • Eerst wordt beoordeeld of de in aanmerking komende netto lasten meer bedragen dan 105% van de definitief toegekende gebundelde uitkering. Indien dit niet het geval is, bestaat geen recht op vangnetuitkering.
  • Wordt wel voldaan aan genoemde eis dan wordt vervolgens beoordeeld of over 2016, 2017 en 2018 samen sprake is van een gecumuleerd tekort dat meer bedraagt dan 5% van de definitief over 2018 toegekende gebundelde uitkering. Het begrip “gecumuleerd tekort” houdt in dat de feitelijke resultaten over 2016, 2017 en 2018 bij elkaar worden opgeteld. Een tweetal voorbeelden is hier uitgewerkt. Het is niet vereist dat in alle drie jaren sprake is van een tekort.

Indien de gemeente niet aan deze eisen voldoet, wordt zij geacht het tekort uit eigen middelen te kunnen opvangen en bestaat geen recht op vangnetuitkering. Indien de gemeente wel aan deze eisen voldoet, wordt vervolgens beoordeeld of ook aan de overige voorwaarden voor een vangnetuitkering wordt voldaan.

Het kan dus voorkomen dat wanneer een verzoek is afgewezen in jaar t omdat niet is voldaan aan de eis met betrekking tot het gecumuleerde tekort, de betreffende gemeente bij een nieuw tekort (bijvoorbeeld in jaar t + 1) wel in aanmerking komt voor een vangnetuitkering. Een afwijzing geldt voor maar één jaar.

Het eigenrisicoregime: drempel en getrapte vergoedingsschalen

Voor het multiniveau-model wordt voor de vangnetuitkering over 2018, net als over 2017, gebruik gemaakt van integrale data. In de toelichting bij het vangnet is aangegeven dat hierdoor weliswaar de reden voor het gebruik van een lage eigenrisicodrempel van 5% in beginsel vervallen is, maar dat het feit dat bij gemeenten toch nog onvoldoende zekerheid bestaat over mogelijk nieuwe herverdeeleffecten, aanleiding geeft om de eigenrisicodrempel voor 2018, net als voor 2017, te handhaven op 5%. Vanaf de VU over 2019 zal deze drempel worden verhoogd naar 7,5%. Dit betekent dat de eigenrisicodrempel voor 2018, net als voor 2017 is vastgesteld op 5%. Dit betekent ook dat de getrapte vergoeding in die zin is aangepast dat de tweede trap (met een vergoeding van 50%) betrekking heeft op een tekort van meer dan 5% tot en met maximaal 12,5% en dat de derde trede (met vergoeding van 100%) geldt voor dat deel van het tekort dat meer bedraagt dan 12,5%. Dit betekent dat de treden voor vergoeding voor over 2018 hetzelfde blijven als voor over 2017.

Dit houdt het volgende in voor 2018:

  • De eerste trede heeft betrekking op het tekort dat 5% of minder bedraagt van de definitief toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt niet gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 100% bedraagt.
  • De tweede trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 5% van de definitief toegekende gebundelde uitkering, met een maximum van 12,5%; voor dit deel van het tekort wordt de helft gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 50% bedraagt.
  • De derde trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 12,5% van de definitief toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt volledig gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 0% bedraagt.

Het eigen risico voor het vangnet over 2018 is 5%.

De getrapte vergoeding houdt in dat:

  • het tekort tussen 0% en 5% wordt niet vergoed en komt altijd voor rekening van de gemeente (trede 1);
  • het tekort tussen 5% en 12,5% wordt voor 50% vergoed vanuit het vangnet (trede 2);
  • het tekort vanaf 12,5% wordt 100% vergoed vanuit het vangnet (trede 3).

Het vangnet 2018 wordt bekostigd uit het macrobudget van 2020.

In 2019 zal het eigen risico niet langer worden verlaagd tot 5%, maar uitkomen op het oorspronkelijke eigen risico van 7,5%. Het eigen risico was tijdelijk voor twee jaar (2017 en 2018) verlaagd tot 5%.

Toelichting ad c

Het college dient een verzoek in te dienen door middel van het door de minister vastgestelde format voor het aanvraagformulier. Dit verzoek moet via de website worden aangeboden en uiterlijk op woensdag 15 augustus 2019 digitaal, zijn ontvangen door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. Verzoeken die na 15 augustus 2019 door de commissie worden ontvangen, worden niet in behandeling genomen.

Toelichting ad d

Verklaring college

Bij het indienen van een verzoek in 2019 tot vangnetuitkering over 2018 moet het college verklaren dat het maatregelen heeft getroffen om tot tekortreductie te komen. Deze verplichting gaat verder dan die in het kader van het tijdelijk vangnet, waarbij het feitelijk treffen van maatregelen niet vereist was. De tekst van deze voorwaarde is gewijzigd. Deze wijziging is toegelicht op de pagina Wet- en regelgeving Vangnet 2018.

Vereiste instemming gemeenteraad en de betekenis daarvan

De gemeenteraad moet, door middel van zijn instemming, de juistheid van de verklaring van het college bevestigen. Aan deze constructie ligt de aanname ten grondslag dat de gemeenteraad alleen met de verklaring kan instemmen indien het college de door hem getroffen maatregelen met de gemeenteraad heeft gewisseld. Het “hoe en wanneer” is hierbij een zaak van de gemeente zelf. In de toelichting bij het Besluit Participatiewet is aangegeven dat het proces van tekortreductie nadrukkelijk een lokale verantwoordelijkheid is. Dit betekent dat:

  • de inhoudelijke beoordeling van de maatregelen door het college geheel wordt overgelaten aan het lokale bestuur en dat de keuzen, in het licht van het verzoek tot vangnetuitkering, niet onderhevig zijn aan de instemming door de minister van SZW of van andere, aan de vangnetuitkering meebetalende gemeenten;
  • de instemming van de gemeenteraad uitsluitend betrekking heeft op de juistheid van de verklaring; de instemming heeft geen betrekking op het inhoudelijk oordeel dat de gemeenteraad eventueel over de maatregelen van het college heeft uitgesproken.

Wat zijn de voorwaarden en wat is de procedure en de rol van de gemeenteraad hierbij?

De VNG legt het uit in een notitie voor raadsleden. Deze informatie staat op de website van de VNG en is meegegaan in nieuwsbrief aan raadsleden. Het is daarmee een document van VNG voor gemeenten. Zie de website van de VNG voor de uitleg voor raadsleden en de bijbehorende notitie (pdf).

Toelichting ad e

Bij een aanhoudend tekort ook externe maatregelen

Bij een aanhoudend tekort – dat wil zeggen dat het college in een aaneengesloten periode van drie jaar, waarin aan hem al een vangnetuitkering is verleend, nogmaals aanspraak wenst te maken op een vangnetuitkering – moet het college eveneens verklaren dat in samenspraak met de gemeenteraad (aanvullende) interne en externe maatregelen zijn genomen om alsnog dan wel tot verdere tekortreductie te komen. Het is aan het lokale bestuur om te bepalen of verdere tekortreductie gerealiseerd wordt via de reeds getroffen maatregelen dan wel dat het nodig is om daarbovenop extra maatregelen te treffen. Indien maatregelen tot stand komen zonder inbreng van externen worden zij als intern aangemerkt. Indien maatregelen met een duidelijk herkenbare inbreng van externen (dus personen of organisaties buiten de eigen gemeente) tot stand komen worden ze als extern aangemerkt. Voorbeelden hiervan zijn consultatie of gebruik maken van goede voorbeelden van andere gemeenten, gebruik maken van een kennisgroep of leercirkel, gebruik maken van de signalen op basis van benchmarking en dergelijke.

Het beoogde effect

Bij het beantwoorden van de vraag ‘Welk beoogde effect hebben de interne (en externe) maatregelen op de reductie van het tekort’ gaat het om een inschatting van het gezamenlijke beoogde effect of het beoogde effect per maatregel, waarbij kwantitatief of kwalitatief aannemelijk wordt gemaakt dat er een reductie van het tekort optreedt.

Andere factoren die van invloed zijn op het recht op vangnetuitkering

Gevolgen van toepassing artikel 7 van het Besluit Participatiewet

Bij de verdeling van het macrobudget voor de gebundelde uitkering voor 2018 spelen de gemeentelijke lasten over 2016 een rol. Deze lasten zijn gebaseerd op de SiSa-verantwoording die gemeenten uiterlijk 15 juli 2017 moesten indienen bij de minister van BZK. Voor de budgetverdeling voor 2018 geldt dat SZW moet uitgaan van de verantwoordingsinformatie over 2016, zoals die op 15 augustus 2017 bij haar bekend is. Voor gemeenten die zich op 15 augustus 2017 nog niet juist en volledig via SiSa hadden verantwoord, is artikel 7 van het Besluit Participatiewet van toepassing. Dit wil zeggen dat SZW moet uitgaan van de lasten over een eerder jaar (2015).

Voor de toepassing van het vangnet geldt dat voor de bepaling van het tekort over 2018 wordt uitgegaan van het budget zoals dat zou zijn vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 van het Besluit Participatiewet. In het licht van het meerjarig perspectief van het vangnet geldt hetzelfde voor de vaststelling van tekorten in de referentiejaren.

Uitsluiting recht op vangnetuitkering bij aanwijzing

Voor alle gemeenten geldt dat, zonder nadere inhoudelijke beoordeling, gedurende twee jaar geen aanspraak op vangnetuitkering gemaakt kan worden indien aan het college een aanwijzing op grond van artikel 76 Participatiewet is gegeven. De uitsluiting geldt voor het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

Aanpassingen van het vangnet vanaf 2019

Vanaf vangnetuitkering over 2019

Vanaf 2019 wordt de eigenrisicodrempel blijvend verhoogd van 5% naar 7,5%. De grens voor de overgang van de tweede naar de derde vergoedingstrede blijft gehandhaafd op meer dan 12,5%.