Kernpunten vangnetuitkeringen over 2019, 2020 en 2021

In het overzicht hieronder staan de kernpunten vermeld van de vangnetuitkeringen over 2019, 2020 en 2021. Eerst worden overeenkomsten tussen deze jaren toegelicht, daarna de verschillen.

Verschillen en overeenkomsten VU 2021 ten opzichte van VU 2020 en VU 2019

De overeenkomsten zullen in de volgende paragraaf per aandachtspunt worden toegelicht. De verschillen zullen in een tabel worden weergegeven in de paragraaf ‘verschillen’.

Overeenkomsten

  • De uiterlijke datum waarop de toetsingscommissie (TC) het verzoek moet hebben ontvangen ligt net als bij de vangnetuitkering (VU) VU 2019 en VU 2020 op 15 augustus in het jaar na het tekortjaar. Voor de VU 2021 betekent dit dat de toetsingscommissie het verzoek uiterlijk op 15 augustus 2022 moet hebben ontvangen.
  • Met betrekking tot de oorzaak van het tekort, beoordeelt de toetsingscommissie of in de analyse (onderdeel A) een oorzaak van het tekort wordt benoemd. De toetsingscommissie doet geen inhoudelijke beoordeling op de genoemde oorzaak van het tekort.
  • Om voor een vangnetuitkering in aanmerking te komen moet het college verklaren dat maatregelen zijn getroffen. Net als bij de VU 2019 en de VU 2020 geldt bij de VU 2021 dat maatregelen getroffen dienen te worden in het tekortjaar, of in het jaar na het tekortjaar tot het moment van indiening.
  • Een college dat in één of twee voorafgaande tekortjaren ook een vangnetuitkering heeft ontvangen moet, om in aanmerking te komen voor een vangnetuitkering, verklaren dat het externe maatregelen heeft getroffen.
  • Met de instemming van de gemeenteraad stelt de gemeenteraad vast dat het college inzicht heeft gegeven in de oorzaken van het tekort, de getroffen interne en externe maatregelen, het beoogde effect van deze maatregelen en de bijdrage die deze samen leveren om het tekort verder te reduceren. 
  • Voor de invloed van relevante foute of onzekere bestedingen op het uitkeringsrecht geldt dat deze bestedingen in mindering worden gebracht op de gemeentelijke lasten en dat deze nooit in aanmerking komen voor vergoeding.
  • Het advies van de toetsingscommissie, dat op basis van een procedurele beoordeling tot stand komt, vindt uiterlijk op 31 oktober van het jaar van aanvraag plaats. Voor de VU 2021 betekent dit dat uiterlijk op 31 oktober 2022 een advies van de toetsingscommissie aan de minister wordt uitgebracht.
  • De beslissing van de Minister van SZW is in beginsel overeenkomstig het advies van de toetsingscommissie en wordt uitgebracht binnen acht weken na het ontvangst van het advies.
  • De uitbetaling van de vangnetuitkering vindt plaats in het eerste kwartaal in het tweede jaar na het tekortjaar. Voor de VU 2021 betekent dit dat de vangnetuitkering in het eerste kwartaal van 2023 wordt uitbetaald.
  • De bekostiging van de vangnetuitkering komt uit het macrobudget van de Participatiewet.
  • De eigen risicodrempel ligt op 7,5 procent. Voor de VU 2021 betekent dit dat alle gemeenten in aanmerking komen voor een vangnetuitkering, met een tekort dat 1) over 2021 meer dan 7,5% bedraagt, en 2) over 2019, 2020 en 2021 samen ook meer bedraagt dan 7,5% van het budget over 2021.  
  • Maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van consultatie bij gemeenten in dezelfde gemeenschappelijke regeling, gaan niet door voor externe maatregelen. Bij de VU 2018 werd een maatregel gebaseerd op externe consultatie bij een gemeente in dezelfde gemeenschappelijke regeling nog wel gezien als een externe maatregel, maar bij de VU 2019 en daarna is dat niet meer het geval.

Verschillen

In de regelgeving staat dat het college een toelichting geeft op de verklaring. De eisen aan deze toelichting staan opgenomen in het aanvraagformulier. Deze wordt door de Minister vastgesteld en kunnen van jaar tot jaar verschillen. Zie hiervoor de volgende toelichtingen en het actuele aanvraagformulier VU 2021.

Verschillen vangnetuitkering 2020 ten opzichte van 2019

De verschillen van vangnetuitkering 2020 ten opzichte van 2019 zijn:

  • Wetgeving

Er geldt vanaf de VU 2020 een uitzonderingspositie voor kleine gemeenten tot 5.000 inwoners, waarbij het zo is dat deze categorie gemeenten te allen tijden een basisverzoek mag indienen, ook indien de gemeente in ten minste één van de twee voorafgaande jaren een vangnetuitkering heeft ontvangen. 
Voor de VU 2021 betekent dit dat alle gemeenten tot 5.000 inwoners een basisverzoek mogen indienen, ook indien zij over VU 2019 en/of VU 2020 een vangnetuitkering hebben ontvangen.

  • Modelaanvraagformulier

Zowel bij de VU 2019 als bij de VU 2020 dient de aanvragende gemeente een toelichting te geven op de oorzaken van het tekort, de getroffen maatregelen en het beoogde effect. Dit staat op het modelaanvraagformulier aan de hand van de vragen A, B en C. Bij de VU 2019 zijn hierbij geen subvragen. Bij de VU 2020 is dit wel het geval. Deze subvragen zijn opgesteld in overleg met gemeenten en hebben als doel het beantwoorden van de vragen te vergemakkelijken en het uitvragen van aanvullende informatie te voorkomen.
De gemeente kan bij de VU 2020 in de toelichting in het modelaanvraagformulier lezen wat exact van haar verwacht wordt bij de beantwoording van de subvragen.

Een aantal wijzigingen heeft betrekking op de toelichting van het modelaanvraagformulier:

1.    Bij A. Een duidelijke analyse van oorzaken waarbij de analyse van de cijfers die de conclusies onderbouwen ook wordt getoond. En niet enkel de conclusies.
Bij A. Spreken over analyse i.p.v. globale analyse.
2.    Bij B externe maatregelen, expliciet herhaald verzoek om gebruik te maken van de drie vragen per maatregel.
3.    Bij B. In de toelichting wordt de suggestie opgenomen aan te geven wat eventuele gevolgen van de Coronacrisis zijn en welke maatregelen de gemeenten hiertoe hebben getroffen.

Verschillen vangnetuitkering 2021 ten opzichte van 2020

  • Bepaling van de onrechtmatige bestedingen
    De ondergrens voor gemeenten met lasten van meer dan 1.000.000 euro, waarbij zij onrechtmatigheden moeten rapporteren, bedraagt 125.000 euro, of, als de lasten meer zijn dan 1.000.000 euro, 1 procent van de lasten van de gebundelde uitkering. Voor gemeenten met lasten lager dan of gelijk aan 1.000.000 euro, blijft de regel ongewijzigd. Voorheen, tot en met de VU 2020, gold alleen een absolute ondergrens (van 125.000 euro) waarbij onrechtmatige bestedingen gerapporteerd moesten worden. Naast deze absolute ondergrens is er nu dus een relatieve (percentuele) ondergrens van 1 procent bijgekomen, voor gemeenten met lasten die meer dan 1.000.000 euro bedragen.
  • Modelaanvraagformulier
    Een aantal wijzigingen heeft betrekking op een toevoeging met een tweetal subvragen:
    1.    Bij B verduidelijking onderscheid tussen bestaande, vervallen en nieuwe maatregelen.
    2.    Bij C. Er wordt gevraagd om toe te lichten indien bij gemeenten met een meerjarige vangnetuitkering het kwantificeren van het effect van maatregelen niet mogelijk is. Deze vraag hangt samen met de vraag naar monitoring en de evaluatie van de effecten.

    Alle genoemde wijzigingen zijn dus vooral verduidelijkend van aard en leiden niet tot andere of zwaardere eisen.