Voorwaarden 2021

Om aanspraak te kunnen maken op een vangnetuitkering dient de gemeente aan een beperkt aantal voorwaarden te voldoen. De voorwaarden gelden voor alle gemeenten, ongeacht de gemeentegrootte en ongeacht of de gemeente de wet zelfstandig of in samenwerking met andere gemeenten uitvoert.

Voorwaarden voor het recht op vangnetuitkering over 2021

Om over 2021 in aanmerking te komen voor de vangnetuitkering moet worden voldaan aan de volgende financiële en procedurele voorwaarden:

a. over 2021 moet sprake zijn van een tekort dat meer bedraagt dan 7,5% van de definitief over dat jaar toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet;

b. over 2019, 2020 en 2021 moet sprake zijn van een gecumuleerd tekort dat meer bedraagt dan 7,5%, berekend over alleen de definitief over 2021 toegekende gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 Participatiewet;

c. het college moet in 2022 tijdig een verzoek indienen volgens het daartoe vastgestelde aanvraagformulier, zie daarvoor de aanvraagprocedure;

d. bij het indienen van het verzoek moet het college verklaren dat het maatregelen heeft getroffen om tot tekortreductie te komen. Deze verklaring moet de instemming hebben van de gemeenteraad. Ook moet deze verklaring worden toegelicht, zoals gevraagd in het aanvraagformulier (op het formulier de onderdelen A, B en C).

e. bij een aanhoudend tekort – dit betekent dat uw gemeente over 2019 en/of 2020 een vangnetuitkering is verleend – moet het college verklaren dat (aanvullende) interne en externe maatregelen zijn getroffen om tot verdere tekortreductie te komen.

Deze voorwaarden (a t/m e) staan hieronder nader toegelicht.

Toelichting karakter voorwaarden

De voorwaarden volgen uit wetgeving. Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, is er geen recht op een vangnetuitkering.

Toelichting ad a en b

Algemeen

Het vangnet reduceert financiële risico’s die gemeenten hebben bij de uitvoering van de Participatiewet. Het vangnet is bedoeld om grote tekorten bezien in meerjarig perspectief op de gebundelde uitkering trapsgewijs te compenseren (hieronder nader toegelicht bij ‘beoordeling in meerjarig perspectief’).

Het vangnet draagt bij aan draagvlak onder gemeenten voor het systeem van budgetbekostiging. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat deze risicoreductie de financiële prikkelwerking ondermijnt, daarom geldt een eigen risico, een getrapte vergoeding en zijn er voorwaarden gesteld aan de toewijzing van het vangnet. Deze voorwaarden prikkelen gemeenten om hun beleid en uitvoering te ontwikkelen en van elkaar te leren om het tekort te reduceren.

Oorzaak tekort

De oorzaak van het tekort is in beginsel niet van belang voor het recht op een vangnetuitkering. Van deze hoofdregel ten aanzien van het recht op vangnetuitkering wordt alleen afgeweken als:

•    blijkens het verslag van bevindingen van de accountant bestedingen onjuist of onzeker zijn,
•    of als uit dit verslag blijkt dat er sprake is van een te late indiening van de verantwoordingsinformatie (SiSa).

In aanmerking komende netto lasten

De toetsingscommissie stelt vast of een gemeente een tekort heeft groter dan 7,5%. Om te bepalen of sprake is van een dergelijk tekort, wordt enerzijds rekening gehouden met de definitief toegekende gebundelde uitkering en anderzijds met de gemeentelijke uitkeringslasten. Echter niet met alle lasten, maar met de “in aanmerking komende netto lasten”, gedefinieerd in het Besluit Participatiewet (zie artikel 9a).
Dit wordt gedefinieerd als “de netto lasten op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004, verminderd met de bedragen die blijkens het verslag van bevindingen van de accountant (als onderdeel van de SiSa-verantwoording) als fout of onzeker worden aangemerkt”. Fouten en onzekerheden die beneden de ondergrens blijven als bedoeld in artikel 5 van het Besluit accountantscontrole decentrale overheden, maar desondanks wel door de accountant zijn gerapporteerd, worden niet in mindering gebracht. 

Verder is bepaald dat bij de beoordeling van het verzoek alleen rekening wordt gehouden met informatie over de “in aanmerking komende netto lasten” die uiterlijk 15 augustus is ontvangen door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet of de minister van BZK. Uitzondering hierop is alleen aan de orde indien de latere verstrekking op verzoek geschiedt.

Met ingang van 1 januari 2020 worden de middelen voor het Bbz-levensonderhoud van gevestigde, oudere en beëindigende zelfstandigen toegevoegd aan de gebundelde uitkering artikel 69 Pw. De middelen voor het Bbz-levensonderhoud van beginnende zelfstandigen maakten al onderdeel uit van deze gebundelde uitkering.

Beoordeling in meerjarig perspectief

Het vangnet heeft een meerjarig perspectief. De jaren die in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van het recht op vangnetuitkering wordt ‘de referteperiode’ genoemd. Voor de vangnetuitkering over 2021 loopt de referteperiode over 2019, 2020 en 2021.

De beoordeling van de referteperiode geschiedt als volgt:

•    Eerst wordt beoordeeld of de in aanmerking komende netto lasten meer bedragen dan 107,5% van de definitief toegekende gebundelde uitkering. Indien dit niet het geval is, bestaat geen recht op vangnetuitkering.
•    Wordt wel voldaan aan genoemde eis dan wordt vervolgens beoordeeld of over 2019, 2020 en 2021 samen sprake is van een gecumuleerd tekort dat meer bedraagt dan 7,5% van de definitief over 2021 toegekende gebundelde uitkering. Het begrip “gecumuleerd tekort” houdt in dat de feitelijke resultaten over 2019, 2020 en 2021 bij elkaar worden opgeteld. Een tweetal voorbeelden is hier uitgewerkt. Het is niet vereist dat in alle drie jaren sprake is van een tekort.

Indien de gemeente niet aan deze eisen voldoet, wordt zij geacht het tekort uit eigen middelen te kunnen opvangen en bestaat geen recht op vangnetuitkering. Indien de gemeente wel aan deze eisen voldoet, wordt vervolgens beoordeeld of ook aan de overige voorwaarden voor een vangnetuitkering wordt voldaan.

Het kan dus voorkomen dat wanneer een verzoek is afgewezen in jaar t omdat niet is voldaan aan de eis met betrekking tot het gecumuleerde tekort, de betreffende gemeente bij een nieuw tekort (bijvoorbeeld in jaar t + 1) wel in aanmerking komt voor een vangnetuitkering. Een afwijzing geldt voor maar één jaar.

Het eigenrisicoregime: drempel en getrapte vergoedingsschalen

Voor een vangnetuitkering over 2021 is de eigen risicodrempel 7,5%.

De getrapte vergoeding houdt het volgende in voor 2021:

•    De eerste trede heeft betrekking op het tekort dat 7,5% of minder bedraagt van de definitief toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt niet gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 100% bedraagt.
•    De tweede trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 7,5% van de definitief toegekende gebundelde uitkering, met een maximum van 12,5%; voor dit deel van het tekort wordt de helft gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 50% bedraagt.
•    De derde trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 12,5% van de definitief toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt volledig gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, zodat het eigen risico voor deze trede 0% bedraagt.

De eigen risicodrempel voor het vangnet over 2021 is 7,5%. Het  maximale eigen risico voor een gemeente is, gelet op de hiervoor beschreven treden, in totaal dus 10%.

Het vangnet 2021 wordt bekostigd uit het macrobudget van 2023.

Van 2015 tot en met 2018 was de eigen risico drempel tijdelijk verlaagd tot 5%.
 

Toelichting ad c

Het college dient een verzoek in door middel van het door de minister vastgestelde aanvraagformulier. Dit verzoek moet via de website worden aangeboden en uiterlijk op 15 augustus 2022 digitaal, zijn ontvangen door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. Verzoeken die na 15 augustus 2022 door de commissie worden ontvangen, worden niet in behandeling genomen. Zie ook ‘Aanvraagprocedure’.

Toelichting ad d

Verklaring college

Bij het indienen van een verzoek moet het college verklaren dat het maatregelen heeft getroffen om tot tekortreductie te komen. Dit is toegelicht op de pagina Wet- en regelgeving Vangnetuitkering 2021. De verklaring van het college omvat een toelichting zoals gevraagd in het aanvraagformulier. Deze toelichting bestaat uit de onderdelen A, B en C. Onderaan het aanvraagformulier staat wat wordt verwacht van deze toelichting.

Vereiste instemming gemeenteraad en de betekenis daarvan

In de vangnetaanvraag verklaart het college maatregelen te hebben getroffen om het tekort te reduceren. De gemeenteraad wordt gevraagd om in te stemmen met de verklaring van het college. Met de instemming van de gemeenteraad stelt de gemeenteraad vast dat het college inzicht heeft gegeven in de oorzaken van het tekort, de getroffen interne en externe maatregelen, het beoogde effect van deze maatregelen en de bijdrage die deze samen leveren om het tekort verder te reduceren.

Aan deze constructie ligt de aanname ten grondslag dat de gemeenteraad alleen met de verklaring kan instemmen indien het college de door hem getroffen maatregelen met de gemeenteraad heeft gewisseld. Het “hoe en wanneer” is hierbij een zaak van de gemeente zelf. In de toelichting bij het Besluit Participatiewet is aangegeven dat het proces van tekortreductie nadrukkelijk een lokale verantwoordelijkheid is. Dit betekent dat:

•    de inhoudelijke beoordeling van de maatregelen door het college geheel wordt overgelaten aan het lokale bestuur en dat de keuzen, in het licht van het verzoek tot vangnetuitkering, niet onderhevig zijn aan de instemming door de minister van SZW of van andere, aan de vangnetuitkering meebetalende gemeenten;
•    de instemming van de gemeenteraad uitsluitend betrekking heeft op de juistheid van de verklaring; de instemming heeft geen betrekking op het inhoudelijk oordeel dat de gemeenteraad eventueel over de maatregelen van het college heeft uitgesproken. Het is geen vereiste dat de gemeenteraad het eens is met de getroffen maatregelen.

Wat is de rol van de gemeenteraad bij de aanvraag van een vangnetuitkering Participatiewet?

De VNG legt het uit in een notitie voor raadsleden. Zie de website van de VNG voor de uitleg voor raadsleden en de bijbehorende notitie (pdf).
 

Toelichting ad e

Bij een aanhoudend tekort ook externe maatregelen

Bij een aanhoudend tekort –dit betekent dat uw gemeente over 2019 en/of 2020 een vangnetuitkering is verleend – moet het college voor een aanvraag over 2021 verklaren dat (aanvullende) interne en externe maatregelen zijn getroffen om tot verdere tekortreductie te komen. Het is aan het lokale bestuur om te bepalen of verdere tekortreductie gerealiseerd wordt via de reeds getroffen maatregelen dan wel dat het nodig is om daarbovenop extra maatregelen te treffen. Deze afweging moet worden beschreven in de vangnetaanvraag bij onderdeel B. Indien maatregelen tot stand komen zonder inbreng van externen worden zij als intern aangemerkt. Indien maatregelen met een duidelijk herkenbare inbreng van externen (dus personen of organisaties buiten de eigen gemeente) tot stand komen worden ze als extern aangemerkt. Voorbeelden hiervan zijn consultatie of gebruik maken van goede voorbeelden van andere gemeenten, gebruik maken van een kennisgroep of leercirkel, gebruik maken van de signalen op basis van benchmarking en dergelijke. Dit staat uitgebreid toegelicht op het aanvraagformulier.

Het beoogde effect

Bij het beantwoorden van de vraag ‘Welk beoogde effect hebben de interne (en externe) maatregelen op de reductie van het tekort’ gaat het om een inschatting van het gezamenlijke beoogde effect of het beoogde effect per maatregel, waarbij kwantitatief of kwalitatief aannemelijk wordt gemaakt dat er een reductie van het tekort optreedt.
 

Andere factoren die van invloed zijn op het recht op vangnetuitkering

Gevolgen van toepassing artikel 7 van het Besluit Participatiewet

Bij de verdeling van het macrobudget voor de gebundelde uitkering voor jaar t spelen de gemeentelijke lasten over jaar t-2 een rol. Deze lasten zijn gebaseerd op de SiSa-verantwoording die gemeenten uiterlijk 15 juli van jaar t-1 moesten indienen bij de minister van BZK. Voor de budgetverdeling voor jaar t geldt dat SZW moet uitgaan van de verantwoordingsinformatie over jaar t-2, zoals die op 15 augustus van jaar t-1 bij haar bekend is. Voor gemeenten die zich op 15 augustus van jaar t-1 nog niet juist en volledig via SiSa hadden verantwoord, is artikel 7 van het Besluit Participatiewet van toepassing. Dit wil zeggen dat SZW moet uitgaan van de lasten over een eerder jaar (jaar t-3).

Voor de toepassing van het vangnet geldt dat voor de bepaling van het tekort over 2021 wordt uitgegaan van het budget zoals dat zou zijn vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 van het Besluit Participatiewet. In het licht van het meerjarig perspectief van het vangnet geldt hetzelfde voor de vaststelling van tekorten in de refertejaren.

Uitsluiting recht op vangnetuitkering bij aanwijzing

Voor alle gemeenten geldt dat, zonder nadere inhoudelijke beoordeling, gedurende twee jaar geen aanspraak op vangnetuitkering gemaakt kan worden indien aan het college een aanwijzing op grond van artikel 76 Participatiewet is gegeven. De uitsluiting geldt voor het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en het daaraan voorafgaande kalenderjaar.