Voorwaarden

Om aanspraak te kunnen maken op een vangnetuitkering dient de gemeente aan een beperkt aantal voorwaarden te voldoen. De voorwaarden gelden in beginsel voor alle gemeenten, ongeacht de gemeentegrootte en ongeacht of de gemeente de wet zelfstandig of in samenwerking met andere gemeenten uitvoert.

Voorwaarden voor het recht op vangnetuitkering over 2016

Om met succes een beroep te doen op een vangnetuitkering over 2016, gelden de volgende voorwaarden:

  1. Het tekort op het de gebundelde uitkering  bedraagt meer dan het in 2016 van toepassing zijnde eigen risico, op basis van de netto lasten, dat wil zeggen het verschil tussen de bestedingen en de baten op titel van de in artikel 69 Participatiewet genoemde wetten en de baten op titel van de reeds ingetrokken WWIK, waarbij:
    a. de door de accountant gerapporteerde foute en onzekere bestedingen in mindering worden gebracht;
    b. bij wijze van uitzondering voor bepaalde gemeenten wier MAU-uitkering per 1 januari 2016 voortijdig is beëindigd een afwijkend eigenrisicoregime geldt.
  2. Het college dient een verzoek in te dienen door middel van het door de minister vastgestelde format voor het aanvraagformulier.
  3. Dit verzoek moet uiterlijk op dinsdag 15 augustus 2017 digitaal, per e-mail, zijn ontvangen door de Toetsingscommissie vangnet Participatiewet. Verzoeken die na 15 augustus 2017 door de commissie worden ontvangen, worden niet in behandeling genomen.
  4. Het college dient in 2016:
    a. een globale analyse te hebben opgesteld van de mogelijke oorzaak en de omvang van het tekort op de gebundelde uitkering als bedoeld in artikel 69 van de Participatiewet, en van de verwachte ontwikkelingen van dat tekort in de komende jaren;
    b. de gemeenteraad te hebben geïnformeerd over zijn analyse en de maatregelen die worden genomen dan wel worden overwogen om tot tekortreductie te komen.
  5. In het aanvraagformulier dient het college informatie te verstrekken over:
    a. de opvattingen van de gemeenteraad over de informatie van het college;
    b. de maatregelen die in 2016 zijn getroffen om het tekort te verminderen en hoe het college deze maatregelen kwalificeert.

Toelichting ad 1

Algemeen

De mogelijke oorzaak van het tekort is in beginsel niet van belang voor het recht op vangnetuitkering. De afwijking op deze hoofdregel heeft betrekking op de correcties van het tekort met bestedingen die blijkens het verslag van bevindingen van de accountant onjuist of onzeker zijn, dan wel verband houden met de toepassing van artikel 7 van het Besluit Participatiewet. Bij een overstijging van het toegekende budget als bedoeld in artikel 69 van de Participatiewet (de gebundelde uitkering) komt het eigen risico, berekend over de toegekende gebundelde uitkering over 2016, altijd voor rekening van de gemeente.

Standaard eigenrisicoregime voor 2016

Voor 2016 geldt, evenals dat voor 2015 het geval was, een standaard eigen risicoregime met een eigenrisicodrempel van 5%, berekend over de definitief toegekende gebundelde uitkering, en een getrapte vergoedingsschaal met voor elke trede een afzonderlijk eigen risico:

  1. de eerste trede heeft betrekking op het tekort dat 5% of minder bedraagt van de aan de individuele gemeente toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt niet gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, en bedraagt het eigen risico 100%;
  2. de tweede trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 5% van de aan de individuele gemeente toegekende gebundelde uitkering, met een maximum van 10%; voor dit deel van het tekort wordt de helft gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, en bedraagt het eigen risico 50%;
  3. de derde trede heeft betrekking op het tekort dat meer bedraagt dan 10% van de aan de individuele gemeente toegekende gebundelde uitkering; voor dit deel van het tekort wordt volledig gecompenseerd vanuit de vangnetuitkering, en bedraagt het eigen risico 0%.

Bijzondere regeling voor uitsluitend het eigen risico voor gemeenten voor 2016

Voor 2016 geldt in beginsel dat het standaard eigen risico (zoals hierboven beschreven) van toepassing is. Voor uitsluitend de vangnetuitkering over 2016 geldt de bijzondere situatie dat het eigen risico wordt gerelateerd aan:

  • hetzij een percentage van de toegekende gebundelde uitkering, met gelijktijdige toepassing van een getrapte vergoeding;
  • hetzij een vast bedrag (€ 30) per inwoner, zonder toepassing van een getrapte vergoeding.

Per verzoekende gemeente zal standaard het eigen risico worden toegepast dat voor haar het gunstigst uitwerkt. De gemeente hoeft derhalve niet zelf een voorkeur aan te geven. Om de eenvoud en de inzichtelijkheid van de effecten van de toepassing ervan te bevorderen, is het bedrag per inwoner vastgesteld op € 30, ongeacht de grootte van de gemeente en de omvang van het tekort. Boven dit bedrag is geen sprake van een getrapte vergoeding. In het Besluit Participatiewet is geregeld dat voor de vaststelling van dit eigen risico bepalend is het aantal inwoners op 1 januari 2016, op basis van de gegevens van het CBS. Deze gegevens zijn reeds opgenomen in de hieronder beschreven ‘tool berekening eigen risico VU 2016’.

Tool berekening eigen risico VU 2016

Met behulp van de Tool berekening vangnetuitkering Participatiewet 2016 kan de gemeente indicatief een berekening maken welk eigen risico voor haar het gunstigst uitwerkt (een percentage over de gebundelde uitkering dan wel een bedrag per inwoner) en of met de gunstigste uitkomst een beroep gedaan kan worden op de vangnetuitkering. Aan de tool kunnen gemeenten geen rechten ontlenen. Niet alleen omdat SZW bij het ontwikkelen van de tool niet over alle definitieve cijfers van de gemeenten beschikt, maar ook omdat het aan de Toetsingscommissie is te beoordelen of een verzoek aan alle, dus ook de niet financiële eisen voldoet.

Afwijkend eigenrisicoregime voor bepaalde gewezen MAU-gemeenten

Voor gemeenten wier meerjarige aanvullende uitkering, met toepassing van een eigen bijdrage van 2,5% of 5%, ingaande 1 januari 2016 voortijdig is beëindigd, geldt dat het eigen risico voor de vangnetuitkering overeenkomstig de MAU wordt vastgesteld. Dit betekent dat én hetzelfde risicopercentage geldt én de getrapte vergoedingsschaal niet toepassing is. Tekorten die meer bedragen dan de eigenrisicodrempel worden voor deze gemeenten volledig gecompenseerd. Het afwijkende eigenrisicoregime geldt alleen voor het jaar en of de jaren waarover de gemeente haar MAU-rechten is kwijtgeraakt. Over 2016 is deze afwijking feitelijk nog maar op één gemeente van toepassing. Voor gemeenten wier meerjarige aanvullende uitkering, met toepassing van een eigen bijdrage van 7,5%, voortijdig is beëindigd, geldt al sedert 1 januari 2015 het standaard eigenrisicoregime.

Onrechtmatige en onzekere bestedingen tellen niet mee voor het tekort

Het gemeentelijk tekort wordt vastgesteld op basis van de SiSa-verantwoordingsgegevens (waaronder het verslag van bevindingen van de gemeentelijke accountant en de zogeheten SiSa-bijlage), voor zover hieruit blijkt dat de bestedingen als rechtmatig zijn verantwoord.

Bestedingen die blijkens het verslag van bevindingen van de gemeentelijke accountant als fout of onzeker worden aangemerkt, worden voor de bepaling van de hoogte van het tekort, in mindering gebracht op de netto lasten over 2016.

Fouten en onzekerheden die beneden de ondergrens blijven als bedoeld in artikel 5 van het Besluit accountantscontrole decentrale overheden, maar desondanks wel door de accountant zijn gerapporteerd, worden niet in mindering gebracht.

Gevolgen van toepassing artikel 7 van het Besluit Participatiewet

Bij de verdeling van het landelijk budget voor de gebundelde uitkering voor 2016 spelen de gemeentelijke lasten over 2014 een rol. Deze lasten zijn gebaseerd op de SiSa-verantwoording die gemeenten uiterlijk 15 juli 2015 moesten indienen bij de minister van BZK. Voor de budgetverdeling voor 2016 geldt dat SZW moet uitgaan van de verantwoordingsinformatie over 2014, zoals die op 15 augustus 2015 bij haar bekend is. Voor gemeenten die zich op 15 augustus 2015 nog niet juist en volledig via SiSa hadden verantwoord, is artikel 7 van het Besluit Participatiewet van toepassing. Dit wil zeggen dat SZW moet uitgaan van de lasten over een eerder jaar (2013).

Voor de toepassing van het vangnet geldt dat voor de bepaling van het tekort over 2016 wordt uitgegaan van de gebundelde uitkering zoals die zou zijn vastgesteld zonder toepassing van artikel 7 van het Besluit Participatiewet.

Toelichting ad 2

Nieuw ten opzichte van de VU over 2015 is dat het college alleen via een door de minister van SZW beschikbaar gesteld aanvraagformulier een verzoek tot een vangnetuitkering kan indienen. Dit betekent dat aanvragen tot vangnetuitkering niet meer vormvrij kunnen worden ingediend. Via het voor 2016 vastgestelde aanvraagformulier verstrekt het college alle informatie die de toetsingscommissie nodig heeft om het recht op vangnetuitkering over 2016 te kunnen beoordelen. Het is hierbij nadrukkelijk de bedoeling dat het college alle relevante informatie in het aanvraagformulier vermeldt, zonder verwijzing naar andere brondocumenten.

Via het aanvraagformulier hoeft het college geen informatie te verstrekken over de jaarcijfers (toegekend budget, de netto uitkeringslasten en de door de accountant gerapporteerde foute of onzekere bestedingen), aangezien het ministerie –mede op basis van de SiSa-verantwoording- al over deze gegevens beschikt en zij de toetsingscommissie daarover zal informeren.

Het format voor het aanvraagformulier voor de vangnetuitkering over 2016, inclusief de toelichting daarop, is gepubliceerd in de Staatscourant 2016, nr. 54185, en elders op deze website als Word-bestand beschikbaar gesteld.

Toelichting ad 4

Om met succes aanspraak te maken op een vangnetuitkering over 2016:

  • is de gemeente niet verplicht om in 2016 een verbeterplan op te stellen en uit te voeren;
  • dient het college in 2016 wel het proces van tekortreductie te hebben ingezet, bestaande uit het opstellen van de globale analyse en het informeren van de raad.

Deze eisen gelden ook voor gemeenten aan wie over 2015 al een vangnetuitkering is toegekend.

Colleges die tot 2017 wachten met het opstellen van de globale analyse en/of het informeren van de gemeenteraad kunnen geen aanspraak maken op de vangnetuitkering over 2016. Een eventuele onjuiste inschatting van de tekortontwikkeling en de gemeentelijke sturing daarop, behoort tot het risico van het college.

Op 30 september 2016 zijn de definitieve budgetten voor 2016 gepubliceerd op Rijksoverheid.nl. Van gemeenten die voorzien dat zij daarmee mogelijk niet gaan uitkomen, mag worden verwacht dat zij maatregelen treffen om het voorziene tekort te beperken of te voorkomen en dat de colleges van deze gemeenten hun raden informeren. Voor het in behandeling kunnen nemen van een verzoek tot een vangnetuitkering met betrekking tot 2016 is het voldoende dat het college aantoont dat in 2016 een proces is ingezet dat gericht is op tekortreductie. De beoordeling van de behaalde resultaten wordt overgelaten aan de gemeenteraad en zal voor de toekenning van de vangnetuitkering geen rol spelen.

Mede naar aanleiding van ontvangen vragen is in de Verzamelbrief van 14 juli 2016 vermeld dat de procedure voor de vangnetuitkering over 2016 identiek is aan die voor de vangnetuitkering over 2015, hetgeen betekent dat het college de gemeenteraad in 2016 moet informeren over zijn globale analyse omtrent de mogelijke oorzaak en omvang van voornoemd tekort en de maatregelen die zijn genomen of zullen worden genomen om tot tekortreductie te komen. Voorts zijn gemeenten erover geïnformeerd dat in 2016 de analyse niet langer in relatie hoeft te worden gebracht met de inwerkingtreding van de Participatiewet in 2015 en de eerdere financiële resultaten van de uitvoering van de Wet werk en bijstand.

Uitsluiting recht op vangnetuitkering bij aanwijzing

Voor alle gemeenten geldt dat, zonder nadere inhoudelijke beoordeling, gedurende twee jaar geen aanspraak op vangnetuitkering gemaakt kan worden indien aan het college een aanwijzing op grond van artikel 76 Participatiewet is gegeven. De uitsluiting geldt voor het kalenderjaar waarin de aanwijzing is gegeven en het daaraan voorafgaande kalenderjaar.